Factsheet toestand en ecologische sleutelfactoren (DIPS)

Hoofdlijnen

Beschrijving van het gebied en watersysteem op hoofdlijnen

De Noorder IJplas is een geïsoleerde diepe plas (maximaal 30 meter, gemiddeld 9,5 meter) met steile oevers, bestaande uit twee delen: een klein ondiep zuidelijk deel (kleine plas) en een groter diep noordelijk deel (grote plas). Alleen de grote plas wordt beheerd door Amstel, Gooi en Vecht. De kleine plas is onderdeel van het waterlichaam Noordzeekanaal dat beheerd wordt door Rijkswaterstaat. De plas is 30 jaar geleden ontstaan door zandwinning. Tot 1982 werd de plas gevoed met onder andere diep grondwater (brakke kwel). Na het opzetten van het peil is er nu sprake van een inzijgingssituatie en is er geen sprake meer van brakke kwel en sinds de tachtiger jaren treedt verzoeting op. In de afgelopen jaren is de plas geisoleerd en verondiept. Vanaf de zomer 2013 wordt de plas weer steeds brakker. Het is niet duidelijk wat hier de oorzaak van is. Verdachten zijn de ingebrachte grond voor verondieping of grondwater.
Noorder IJplas (NL11_7_2) heeft watertype “matig grote diepe gebufferde meren” (M20) en het wateroppervlak van het waterlichaam is 51 hectare.
Het waterlichaam bestaat uit de deelgebieden:
6100-EAG-1 (Noorder IJ Polder, Noorder IJplas)
Het waterlichaam ligt in de provincie(s) Noord-Holland en gemeente(n) Amsterdam. Het waterlichaam Noorder IJplas heeft de status KRW waterlichaam en is in eigendom van Gemeente Amsterdam.

Ligging en beeld

Het ecosysteem ziet eruit als onderstaand beeld

Ligging waterlichaam

Ligging deelgebieden

Toestand

Ecologische analyse op hoofdlijnen

De doelen
Het KRW-doel is het realiseren van een goede ecologische toestand voor Matig grote diepe gebufferde meren (M20), met scores voor fytoplankton, macrofauna, waterflora en vis in het groen.

De huidige toestand vergeleken met de doelen –ontoereikend
De toestand in Noorder IJplas (zwarte lijnen in de figuur hiernaast) is ontoereikend. Het biologische kwaliteitselement met het laagste oordeel is Ov. waterflora. De slechts scorende deelmaatlat van dit kwaliteitselement is Soortensamenstelling macrofyten.

De hoeveelheid algen in de plas varieerd in de tijd, maar is sinds 2015 toegenomen. Er bloeien vaak algen in de plas. De hoeveelheid waterplanten laat een duidelijke achteruitgang zien de afgelopen 10 jaar, maar de soortensamenstelling blijft ongeveer gelijk. Er worden nog steeds kranswieren en fonteinkruiden gevonden in de plas. De score op de maatlat Fytoplankton vertoont een negatieve trend (-0.06 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Waterflora vertoont een negatieve trend (-0.21 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Vis vertoont geen trend. Fosfor gaat achteruit tussen 2015 en 2019, maar de pH neemt af en het doorzicht neemt toe (vooruitgang).

Oorzaken op hoofdlijnen
De oorzaak van deze onvoldoende kwaliteit is de hoge voedselrijkdom van het waterlichaam. Bronnen zijn het achterland en het materiaal dat is gebruikt voor het verondiepen van de plas. Het doel van het verondiepen was meer leefmogelijkheden te scheppen voor water- en oeverplanten en daarmee ook de visstand te verbeteren.

Maatregelen op hoofdlijnen
Veel maatregelen zijn gericht op het mitigeren van de nadelige neveneffecten van de verondiepingsmaatregelen: De diepe waterbodem is verrijkt door fracties van de grond die in de plas is gebracht en levert voedingstoffen na. Het lichtklimaat is verslechterd door de ingebrachte grond maar verbetert nu het werk gestopt is. Er spoelen ook voedingsstoffen uit de grond die opgeslagen is in het gronddepot naast de plas, daarvoor worden tijdelijke maatregelen (ijzerzandfiltratie) toegepast totdat het depot weg is. De overige maatregelen zijn gericht op het verbeteren van de leefomstandigheden voor water- en oeverplanten door inrichting. Daarnaast is er een vispassage aangelegd. De uit- en afspoeling van de ruderale terreinen is heterogeen, overwogen wordt een puridrain (ijzerzandfilter) aan te leggen.

Toestand

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Ecologische sleutelfactoren

Ecologische sleutelfactoren

esficon Productiviteit water vormt een probleem. Er is sprake van algenbloeien. Sinds 2014 gebeurt dat niet meer in de winter en is er een duidelijke voorjaars- en najaarsbloei te zien. De plas wordt vooral gestuurd door de actuele (zomer)belasting met fosfor. In droge zomers zien we minder algen dan in natte zomers. Mogelijk is het achterland voedselrijker dan geschat in de huidige waterbalans. Er is voedselrijk materiaal gedumpt in het park en het wateroverschot uit het park stroomt uit naar de plas. Een eerste onderzoek (Bware, 2019) geeft het beeld dat het omliggende land zeer heterogeen is: op sommige locaties worden zeer hoge labiele P-concentraties gemeten die makkelijk uit kunnen spoelen, op andere veel lagere concentraties. Het materiaal waarmee de verondieping is uitgevoerd is waarschijnlijk te voedselrijk: de geschatte nalevering van de waterbodem in diepe delen is ongeveer 1.5 mg/m2/dag (ten opzichte van de totale belasting van de plas van 0.25-0.70 mg/m2/dag). We zien in het hypolimnion dat het voedselrijker wordt. Een andere bron is de zuivering Zaanstad. Deze loost op zijkanaal H (HHNK). Er is een onbekende bron die sinds 2013 een sterke verbrakking veroorzaakt, met wellicht ook een P-vracht.
esficon Lichtklimaat vormt een probleem. De extinctie is tussen 2008 en 2015 lager (jaargemiddeld 0.9-1.1) dan de jaren daarvoor. Vanaf 2016 is het doorzicht verlaagd; in 2015 en 2016 in de zomer door algenbloeien. In 2017, 2018 en 2019 is de extinctie juist in de winter hoger. Bij de huidige extinctie valt 4% licht tot op 2.2 meter waterdiepte. Opvallend is dat humusextinctie een stijgende trend laat zien sinds 2010 en daarmee een groter aandeel heeft in de uitdoving. De extinctie is in deze periode verdubbeld en stabiliseert sinds begin 2019, maar daalt niet.
esficon Productiviteit bodem vormt een probleem. De waterbodem is te voedselrijk (> 500mg/kg dg), ook in ondiepe delen van de plas.
esficon Habitatgeschiktheid vormt mogelijk een probleem. Zout is geen beperking voor de vegetatie (in Botshol is zowel de fluctuatie als concentratie chloride veel groter), maar het gebrek aan oevervegetatie is wel een probleem. Er is sprake van veel boom- en struikopslag langs de oevers. Ondiep oppervlak ontbreekt.
esficon Verspreiding vormt geen probleem. De bereikbaarheid van het gebied voor gewenste soorten is op dit moment vermoedelijk geen knelpunt. Er is een visspassage tussen de plas en het Noordzeekanaal.
esficon Verwijdering is onbekend.
esficon Organische belasting is onbekend.
esficon Toxiciteit vormt geen probleem. De SIMONI score < 1 (0.6), dus er is geen toxisch risico voor flora en fauna. Het betreft geen risicogebied.

Bron

Deze factsheet is gebaseerd op de KRW toetsing aan (maatlatten 2018) uit 2019, begrenzing waterlichamen 2015-2021, hydrobiologische data 2006-2018 en conceptmaatregelen en doelen voor SGBP3 en Evaluatie verondiepen, Viester 2019; Onderzoek bodemsamenstelling Noorder IJplas (2019).

Maatregelen (R)

SGBP 1 en 2 maatregelen die (deels) zijn uitgevoerd

SGBP 1 en 2 maatregelen in planvorming

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn gefaseerd

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn ingetrokken of vervangen

Nieuwe maatregelen voor SGBP3 tov totaal aantal maatregelen

Maatregelen

ESFoordeel SGBPPeriode Naam Toelichting BeoogdInitiatiefnemer UitvoeringIn
esficon SGBP3 2021-2027 Herstelmaatregel mitigeren: inrichting verbeteren en verwijderen gronddepot In het depot wordt ook grond opgeslagen, die niet wordt gebruikt voor de inrichting en verondieping van de plas. Uit het depot spoelen waarschijnlijk toxines en voedingstoffen uit. Om die reden is het nodig om het depot snel op te ruimen. Om te komen tot de gewenste inrichting en afwerking (afgestemd op het Ruimtelijk toetsingskader en eisen Waternet) zal het depot nog nodig zijn.
Ook indien uit het in uitvoering zijnde onderzoek blijkt dat hervatting van verondieping ongewenst is, is het
Gemeente Amsterdam 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Herstelmaatregelen om het effect van verondiepen te mitigeren De waterkwaliteit in de Noorder IJplas is verslechterd sinds de verondiepingen. De grond die is gebruikt voor de verondieping is voedselrijk en levert waarschijnlijk voedingstoffen na. Bovendien zijn er veel stoffen gemeten die het licht uitdoven (zwevende stof, humuszuren) en daarmee de ontwikkeling van waterplanten belemmeren. Er wordt nu gekeken hoe deze negatieve effecten gemitigeerd kunnen worden. Gemeente Amsterdam 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Kleinere maximumhoeveelheid toestaan voor het onttrekken van water oppervlaktewater Nabij diepe plassen en kleine ondiepe plassen willen we ontrekkingen zoveel mogelijk voorkomen, door een alternatieve locatie te zoeken in een ander peilvak. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP2 2015-2021 Beperken fosfaatbelasting uit omgeving MBV puridrain: in 2019 worden metingen uitgevoerd om te kijken wat de concentraties P zijn in de percelen. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2015-2021
SGBP1 2009-2015 Uitvoeren inrichtingsplan Noorder IJplas, fase 1 - effect 3 Het betreft de inrichting van de kleine plas als helofytenfilter voor het zuiveren van ingelaten water vanuit het Noordzeekanaal. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
esficon SGBP2 2015-2021 Uitvoeren inrichtingsplan Noorder IJplas, fase 1 - effect 2 Het verondiepen van een deel van de Noorder IJplas als uitvoering van het Inrichtingsplan NIJP. De verondieping moet de ontwikkeling van oever- en waterplanten mogelijk maken.De maatregel is een voortzetting van de maatregel uit de SGBP 1-planperiode. De wens voor voldoende ondiep oppervlak blijft bestaan, maar dan wel met materiaal dat niet nalevert en niet organisch belast wordt. Gemeente Amsterdam 2015-2021
esficon SGBP2 2015-2021 Uitvoeren inrichtingsplan Noorder IJplas, fase 1 - effect 1 Het aanleggen van natuurvriendelijke oevers langs de Noorder IJplas conform het inrichtingsplan NIJP. Gemeente Amsterdam 2015-2021
SGBP1 2009-2015 Toepassen ecologisch onderhoud oevers hoofdwateren - fase 1 Een gebiedsbrede maatregel in alle waterlichamen Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
SGBP1 2009-2015 Uitvoeren inrichtingsplan Noorder IJplas, fase 1 - effect 1 Het betreft het aanleggen van natuurvriendelijke oevers langs de Noorder IJplas conform volgens inrichtingsplan NIJP Gemeente Amsterdam 2009-2015
SGBP1 2009-2015 Uitvoeren inrichtingsplan Noorder IJplas, fase 1 - effect 2 Het gaat om het verondiepen van een deel van de Noorder IJplas als uitvoering van het Inrichtingsplan NIJP. De verondiepingen moet de ontwikkeling van oever- en waterplanten mogelijk maken.Er worden geen inrichtingskosten benoemd, omdat deze worden gedekt vanuit de opbrengsten van grondexploitatie (werk met werk). Gemeente Amsterdam 2009-2015
esficon SGBP1 2009-2015 Vispasseerbaar maken sluizen, gemalen en stuwen - fase 1 Er is een zuinige De Wit passage aangelegd tussen de zuid en noordplas. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
esficon SGBP3 2021-2027 Effecten van de toegenomen graasdruk door grauwe ganzen verminderen, mitigeren en/of compenseren Een maatregel in alle waterlichamen waar een sterke graasdruk van ganzen op de emerse vegetatie bestaat. Door ganzenbeheer krijgen rietoevers meer kans om te herstellen (KRW-doel); dit is ook belangrijk voor de instandhouding van leefgebied voor moerasvogels (Natura2000-doel). Deze maatregel wordt opgenomen in het fauna/ganzenbeheerplan van de Faunabeheereenheid (FBE) en uitgevoerd door wildbeheereenheden en terreinbeheerders. Gemeente Amsterdam 2021-2027

Disclaimer: SGBP3 maatregelen zijn nog niet bestuurlijk vastgesteld en kunnen nog worden gewijzigd.

Toelichting en onderbouwing ESF-en, monitoring en begrenzing

Motivering KRW status en herbegrenzing

Verkleining als gevolg van overname Kleine plas door RWS. De Kleine plas staat in open verbinding met NZK en is overgedragen aan Rijkswaterstaat. Alleen de Grote plas is nu onderdeel van het waterlichaam.

Monitoringswensen

In dit waterlichaam wordt de vegetatie 1 keer per 3 jaar gemeten. Macrofauna wordt niet gemeten, voor de KRW worden resultaten uit een ander waterlichaam getoond in formele rapportages (niet in deze factsheet). Fytoplankton wordt 1 keer per 3 jaar gemeten. Vis wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Daarnaast worden maandelijks verschillende fysisch chemische parameters gemeten in het waterlichaam en het inlaatwater van het waterlichaam.

Indicatoren ESF

ESF 1: Productiviteit

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

ESF 2 en 4: Lichtklimaat en waterdiepte

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

ESF 1 en 3: Waterbodem

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Brondata: water- en stoffenbalansen

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma`s fysisch-chemie en hydrobiologie

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma waterbodemchemie

EKR scores op alle deelmaatlatten in de tijd

Begrippenlijst en afkortingen

Waterlichaam De waterlichamen vormen de basisrapportageeenheden van de KRW. Op basis van artikel 5 KRW zijn in 2004 Nederlandse oppervlaktewateren aangewezen als KRW-waterlichamen: natuurlijk, kunstmatig2 of sterk veranderd. Een oppervlaktewaterlichaam kan als kunstmatig of sterk veranderd worden aangewezen vanwege ingrepen in de hydromorfologie (art. 4 lid 3 KRW), die het bereiken van de Goede Ecologische Toe-stand verhinderen. In Nederland zijn vrijwel alle waterlichamen kunstmatig of sterk veranderd.

Emerse waterplanten Emerse waterplanten steken gedeeltelijk boven het wateroppervlak uit en wortelen in de (water)bodem.

Helofyten De moerasplanten of helofyten kan men vinden in vochtige gebieden, oevers, tijdelijke wateren en overstromingsgebieden. Typerend voor vele moerasplanten is dat ze zich hebben aangepast aan een droge periode (zoals het uitdrogen van een rivierbedding) en een periode van gedeeltelijke of volledige onderdompeling. Voor sommige soorten is deze afwisseling noodzakelijk voor het bestaan. Terwijl de ‘echte’ waterplanten niet in de bodem wortelen en vaak onder water kunnen leven (met uitzondering van de bloeiwijzen), wortelen de helofyten of moerasplanten in de bodem en steken gewoonlijk boven de wateroppervlakte uit.

Submerse waterplanten De term submers (ondergedoken) wordt gebruikt voor waterplanten die geheel onder water groeien. Alleen de bloeiwijze kan bij sommige soorten boven het water uitsteken.

Hydrofyten De ‘echte waterplanten’ of hydrofyten komen voor in stilstaande of traag stromende permanente meren of rivieren. Deze planten zijn aangepast aan een submers leven. Indien het biotoop uitdroogt wordt het voortbestaan van deze planten bedreigd. De wortels dienen tot verankering van de plant. De stengels kunnen tot tien meter lang worden en zijn soepel en buigbaar. De drijvende bladeren kunnen hierdoor aanpassen aan de waterstand, waardoor de lichtopname niet in het gedrang komt. Andere soorten drijven, onafhankelijk van de bodem, net onder of boven het wateroppervlak. Er bestaan dus hydrofyten met zowel een submerse als emerse groeivorm. In beide gevallen zullen de voedingstoffen hoofdzakelijk via het blad opgenomen worden.

GAF Een afvoergebied of een cluster van peilgebieden met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze via een gemeenschappelijk punt hun water lozen op een hoofdsysteem.

EAG Ecologische analysegebieden zijn nieuwe opdelingen van de bestaande af- en aanvoergebieden (GAF’s), meestal (delen van) polders. De opdeling in EAG’s is gemaakt op basis van een aantal kenmerken zoals vorm, verblijftijd, waterdiepte, strijklengte, de aanwezigheid van kwel of wegzijging en de afvoerrichting van het water. Een EAG valt altijd volledig binnen een afvoergebied. Af-en aanvoergebieden, maar ook KRW-waterlichamen, zijn dus opgebouwd uit één of meer EAG’s.

KRW Kaderrichtlijn water

N2000 Natura 2000 De verzameling van Nederlandse natuurgebieden die in Europees verband een beschermde status genieten (Vogel- en habitatrichtlijngebieden).

EKR Ecologische kwaliteitratio, een getal tussen 0 en 1 waarmee de kwaliteit van een ecologische parameter wordt aangegeven. 0 is zeer slecht, 1 is zeer goed. De grens voor het GEP wordt gewoonlijk bij een EKR van 0,6 gelegd.

Biologisch kwaliteitselement Een ecologische groep de waarmee de situatie van het waterlichaam wordt beoordeeld. Gebruikt worden: fytoplankton en diatomeeën (algen), waterplanten, macrofauna (waterdieren) en vissen.

Maatlat Een schaal die gebruikt wordt om de situatie van een ecologische parameter te beoordelen. De uitkomst is een EKR.

Deelmaatlat Voor elk biologisch kwaliteitselement zijn één of meerdere deelmaatlattenonderscheiden op basis van de soortsamenstelling en de (relatieve) aanwezigheidvan soorten, en voor vis de leeftijdsopbouw. De uitkomst is een EKR.

Indicator Een verder opdeling van biologische deelmaatlatten. De uitkomst is in een aantal gevallen een EKR.

GEP of KRW doel De KRW heeft voor natuurlijke waterlichamen als doel dat een goede toestand (zowel ecologisch als che-misch) moet worden gehaald (GET). Voor de kunstmatig of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen moet een goed ecologisch potentieel (GEP) en een goede chemische toestand worden bereikt. Het GEP voor rijkswateren wordt afgeleid door Rijkswaterstaat namens de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat (en mogelijk Landbouw, Visserij en Voedselveiligheid) en gepresenteerd in het Beheerplan rijkswateren (BPRW, vastgesteld door de ministers). De provincies zijn verantwoordelijk voor het afleiden van het GEP voor regionale wateren. Dit gebeurt in regionale waterplannen. Hoewel de provincie formeel het GEP moet vaststellen in het regionaal waterplan, levert het waterschap vanwege de kennis over watersystemen meestal het GEP aan, als beheerder van het regionaal oppervlaktewaterlichaam. Beide kunnen hierbij de Handreiking KRW-doelen volgen. De KRW biedt uitzonderingsmogelijkheden waarbij het doel later (doelvertraging) of niet (minder streng doel) gehaald hoeft te worden. Alleen in het laatste geval is het GEP niet meer het doel. In deze handreiking is het GEP-synoniem voor het doel, tenzij anders aangegeven. In hoofdstuk 3 en 4 wordt het afleiden van de doelen technisch beschreven.

SGBP Naast het definiëren van waterlichamen en doelen schrijft de KRW voor dat er stroomgebiedbeheerplan-nen (SGBP) worden opgesteld (art. 13 KRW). De bouwstenen van de stroomgebiedbeheerplannen staan in de waterplannen van het Rijk en de provincies en in de beheerplannen van de waterbeheerders. De SGBP’s geven een overzicht van de toestand, de problemen, de doelen en de maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit voor de inliggende waterlichamen. Nederland kent vier stroomgebieden: Rijn, Maas, Schelde, en Eems. De beheerplannen voor de stroomgebie-den worden iedere zes jaar geactualiseerd. Volgens bijlage VII van de KRW bevatten de SGBP’s onder andere:de beschrijving van de kenmerken van het stroomgebieddistrict;de ligging, begrenzing en typering van waterlichamen (voor sterk veranderd en kunstmatig inclusief een motivering); de huidige toestand op basis van de resultaten van de monitoring over de afgelopen periode;de doelen voor waterlichamen en een eventueel beroep op uitzonderingsmogelijkheden inclusief motivering; een samenvatting van de te nemen maatregelen om de doelen te bereiken.

Watersysteemanalyse Om goede keuzes te maken voor doelen en maatregelen is het essentieel te weten hoe een waterlichaam werkt. De systeemanalyse heeft als doel inzicht te verschaffen in het systeemfunctioneren, wat via verschillende methoden bereikt kan worden. Dit vormt het vertrekpunt voor het antwoord op de vraag hoe (met welke maatregelen) kan worden gekomen tot een betere toestand. Zonder goed inzicht in het systeem-functioneren is het risico groot dat niet de juiste maatregelen in beeld zijn, of dat maatregelen uiteindelijk niet opleveren wat ervan wordt verwacht.